Spring naar content
29 oktober

Waarom fitnessleden afhaken: wat 12,4 miljoen lidmaatschappen ons leren over retentie

Hoeveel leden blijven daadwerkelijk sporten nadat ze zich hebben ingeschreven bij een sportschool? En wat bepaalt of iemand na enkele maanden opzegt of jarenlang lid blijft? 

Tijdens het HFA European Congress 2026 in Londen presenteerde Dr. Paul Bedford de eerste resultaten van een van de grootste internationale onderzoeken naar ledenbehoud ooit. 

De analyse van ruim 12,4 miljoen fitnesslidmaatschappen laat zien hoe sterk bezoekfrequentie samenhangt met retentie, waarom de verschillen tussen fitnessconcepten zo groot zijn en hoeveel mogelijkheden er liggen om leden langer betrokken te houden. Wat kunnen Nederlandse fitnessondernemers hiervan leren?

De fitnessbranche investeert veel in het aantrekken van nieuwe leden. Er wordt geadverteerd, er worden proeflessen georganiseerd en er wordt continu gewerkt aan het verbeteren van de instroom. Maar wat gebeurt er nadat iemand daadwerkelijk lid is geworden?

Blijft diegene regelmatig trainen? Ontwikkelt het nieuwe lid een sportroutine? En op welk moment ontstaat het risico dat iemand afhaakt?

Deze vragen stonden centraal tijdens The Retention Blueprint: Inside the Industry’s Largest Retention Study, een presentatie van Dr. Paul Bedford op 25 september 2026 tijdens het HFA European Congress in Londen.

Dr. Bedford, oprichter van Retention Guru, onderzoekt al tientallen jaren het gedrag van fitnessleden. Voor het nieuwe HFA Global Retention Benchmark Report werkte hij samen met de Health & Fitness Association en verschillende internationale datap partners aan een grootschalige analyse van ledenbehoud.

Een van de meest opvallende uitkomsten: 63% van de onderzochte Europese leden kwam gedurende de eerste 12 weken gemiddeld minder dan 0,8 keer per week naar de fitnessclub.

Dat betekent niet dat al deze mensen hun lidmaatschap opzeggen. Wel behoren ze op basis van hun bezoekgedrag tot de groep met het hoogste voorspelde opzeggingsrisico.

Het onderzoek legt daarmee een belangrijk aandachtspunt bloot: een succesvol afgesloten lidmaatschap is nog geen garantie voor duurzame sportdeelname.

Het grootste internationale retentieonderzoek tot nu toe

retentie in de sportbranche

Om ledenbehoud beter te begrijpen, analyseerde Dr. Bedford een dataset van ruim 12,4 miljoen lidmaatschapsrecords.

De belangrijkste cijfers uit de congrespresentatie:

OnderdeelOmvang
Onderzochte datapunten12.439.458
FitnessoperatorsCirca 2.700
FitnesslocatiesCirca 5.200
Vertegenwoordigde landen38
Onderzoeksperiode1 januari 2024 – 30 april 2026

Het gaat om geanonimiseerde gegevens van verschillende typen fitnessorganisaties, waaronder budgetketens, zelfstandige sportscholen, premiumclubs, publieke sportvoorzieningen en gespecialiseerde studio’s.

Het onderzoek is daarmee bijzonder omvangrijk. Tegelijkertijd is het belangrijk te beseffen dat de deelnemende organisaties niet automatisch een volledig representatieve afspiegeling vormen van alle fitnessbedrijven wereldwijd.

De onderzoekers keken onder meer naar de duur van lidmaatschappen, uitstroom, bezoekfrequentie, leeftijdsgroepen en verschillen tussen bedrijfsmodellen.

Met zogenoemde survival curves brachten zij vervolgens in kaart welk aandeel van de leden na een bepaald aantal maanden nog lid is.

Dat maakt het mogelijk om niet alleen naar de totale uitstroom te kijken, maar ook naar het moment waarop leden vertrekken.

Hoe lang blijft een gemiddeld fitnesslid?

Uit de wereldwijde analyse komt een mediane fitness lidmaatschapsduur van 12,94 maanden naar voren. De mediane lidmaatschapsduur is het punt waarop naar schatting de helft van de leden is vertrokken en de andere helft nog lid is. Dat is iets anders dan het rekenkundig gemiddelde.

Dr.Bedford gebruikt hiervoor in zijn presentatie de term Average Lifetime Value. Anders dan de gebruikelijke commerciële definitie van customer lifetime value, gaat het hier om de lidmaatschapsduur in maanden en niet om de financiële waarde van een klant.

Daarnaast komt uit het onderzoek een gemiddelde maandelijkse uitstroom van 75 leden per 1.000 leden naar voren.

Voor een fitnessondernemer maakt dit inzichtelijk hoeveel nieuwe leden er nodig zijn om het ledenbestand op peil te houden.

Bij een club van 1.000 leden die een vergelijkbare uitstroom kent, gaat het bijvoorbeeld om ongeveer 75 vertrekkende leden per maand. Om te groeien, moeten er vervolgens meer nieuwe leden bijkomen dan er vertrekken.

Het laat zien waarom retentie zo’n belangrijke factor is binnen een duurzaam bedrijfsmodel.

De eerste twaalf weken: 63% van de Europese leden in de hoogste risicogroep

Het Europese deel van de dataset bestaat uit 4.829.565 ledenrecords. Voor deze groep ligt de mediane lidmaatschapsduur op 13,45 maanden. De maandelijkse uitstroom bedraagt 74 leden per 1.000 leden.

Dr. Bedford onderzocht vervolgens hoe bezoekfrequentie tijdens de eerste 12 weken samenhangt met de kans dat iemand later opzegt.

Hiervoor verdeelde hij leden in 4 risicogroepen.

RisicogroepGemiddeld bezoek per weekEuropese ledenrecords
Hoog risicoMinder dan 0,8 keer3.039.882
Matig risico0,8 tot minder dan 1,2 keer611.429
Laag risico1,2 tot minder dan 2 keer670.508
Zeer laag risico2 keer of vaker507.746

Bijna 3,04 miljoen van de 4,83 miljoen onderzochte Europese leden vallen in de hoogste risicocategorie. Dat is ongeveer 63%.

Deze leden bezoeken hun fitnessclub in de eerste twaalf weken gemiddeld minder dan 0,8 keer per week. Over een periode van twaalf weken komt dit neer op minder dan ongeveer 10 bezoeken.

Voor veel fitnessondernemers is dit een relevant gegeven. De eerste maanden van een lidmaatschap worden vaak beschouwd als een belangrijke periode om een sportroutine te ontwikkelen.

Toch laat de onderzoeksdata zien dat een aanzienlijk deel van de nieuwe leden in die periode relatief weinig gebruikmaakt van de fitnessfaciliteiten.

Dat hoeft niet automatisch te betekenen dat mensen buiten de sportschool onvoldoende bewegen. Ze kunnen bijvoorbeeld wandelen, fietsen of op een andere locatie sporten. Het onderzoek meet immers het geregistreerde clubbezoek, niet alle vormen van lichamelijke activiteit.

Maar vanuit het perspectief van ledenbehoud is het een belangrijk signaal.

Waarom bezoekfrequentie zoveel zegt over ledenbehoud

Tijdens de presentatie liet Dr. Bedford zien dat leden die vaker komen trainen doorgaans een gunstiger retentiepatroon vertonen.

Bij de Europese leden met een lage bezoekfrequentie ligt de mediane lidmaatschapsduur rond een jaar. Bij leden die gemiddeld ongeveer 1xl per week komen trainen, ligt die aanzienlijk hoger.

Dr.Bedford illustreerde dat met het verschil tussen bijvoorbeeld 3 en 4 bezoeken per maand.

Die relatief kleine verandering in frequentie gaat in de onderzochte groepen samen met een verschil van ongeveer 5 tot 6 maanden in lidmaatschapsduur.

Bij een hogere bezoekfrequentie neemt de retentie doorgaans verder toe. Tegelijkertijd nemen de extra verschillen op een gegeven moment af: 5 keer per week sporten levert niet noodzakelijk dezelfde extra retentiewinst op als de overgang van nauwelijks sporten naar regelmatig trainen.

De belangrijkste conclusie is daarom niet dat ieder lid zo vaak mogelijk naar de sportschool moet komen.

Veel relevanter is dat een haalbare, regelmatige sportroutine een belangrijk kenmerk is van leden die langer betrokken blijven.

Daarbij hoort een belangrijke wetenschappelijke nuance: het onderzoek laat een verband zien tussen bezoekfrequentie en lidmaatschapsduur. Het bewijst niet dat een extra bezoek automatisch een bepaald aantal maanden extra lidmaatschap veroorzaakt.

Mensen die vaker trainen kunnen bijvoorbeeld ook van zichzelf sterker gemotiveerd zijn of andere omstandigheden hebben die hen helpen om actief te blijven.

Desondanks biedt de sterke samenhang waardevolle aanknopingspunten voor fitnessondernemers.

Waarom de oplossing niet altijd in nieuw fitnessaanbod zit

Een van de duidelijkste boodschappen van Dr. Bedford ging over de manier waarop fitnessondernemers retentie proberen te verbeteren.

Wanneer leden minder vaak komen, kan de neiging ontstaan om het aanbod uit te breiden. Nieuwe apparaten, extra groepslessen, een aangepast rooster of een vernieuwde trainingsruimte moeten ervoor zorgen dat leden weer enthousiast worden.

Maar volgens Bedford ligt de oplossing voor een belangrijk deel in het begrijpen en beïnvloeden van gedrag.

Een lid dat nauwelijks komt trainen, heeft niet noodzakelijk behoefte aan meer trainingsmogelijkheden. Misschien voelt iemand zich onzeker op de fitnessvloer. Misschien lukt het niet om sporten in een drukke agenda te passen. Of misschien heeft iemand na de eerste weken het gevoel dat de gewenste resultaten uitblijven.

Voor sommige leden is het aanbod onvoldoende passend. Voor anderen is juist behoefte aan meer begeleiding, duidelijkheid of persoonlijk contact.

Daarom benadrukte Bedford tijdens zijn presentatie het belang van onboarding en gedragsverandering.

Het gaat niet alleen om uitleggen hoe fitnessapparatuur werkt, maar ook om mensen te helpen om regelmatig te blijven komen.

Een goede onboarding begint daarmee bij het begrijpen van de persoon achter het lidmaatschap.

Waarom is iemand begonnen? Wat wil diegene bereiken? Welke obstakels zijn er? En wat is een realistische trainingsfrequentie binnen zijn of haar leven?

Een lid dat een duidelijke routine opbouwt, hoeft niet voortdurend opnieuw de beslissing te nemen óf het gaat sporten.

Juist die overgang van een eenmalige motivatie naar een vaste gewoonte verdient meer aandacht binnen de fitnessbranche.

Grote retentieverschillen tussen fitnessconcepten

bespreken van rententieverschillen

Het onderzoek laat niet alleen zien dat bezoekfrequentie belangrijk is. Ook het type fitnessorganisatie hangt sterk samen met de duur van lidmaatschappen.

Voor de internationale analyse onderscheidde Dr. Bedford verschillende bedrijfsmodellen: premium, mid-market, high-volume low-price (HVLP), zelfstandige sportscholen, studio’s en publieke sportvoorzieningen.

Budgetfitness: veel leden, maar relatief korte lidmaatschappen

Binnen het Europese HVLP-segment ligt de mediane aaneengesloten lidmaatschapsduur in de gepresenteerde dataset rond 5 maanden.

Bij dit type fitnessconcept ligt de nadruk doorgaans op een relatief lage prijs, een groot ledenvolume en een gestandaardiseerd aanbod. Dat model kan commercieel succesvol zijn, maar stelt andere eisen aan ledenbehoud.

Met een groot aantal leden en relatief beperkte persoonlijke begeleiding is het lastiger om ieder individueel lid intensief op te volgen.

Digitale communicatie, automatische signalering van teruglopende bezoeken en een toegankelijke klantreis kunnen daarom een grotere rol spelen.

Mid-market en premium: langere lidmaatschappen

In het Europese middensegment ligt de mediane lidmaatschapsduur in de gepresenteerde analyse rond 13 maanden.

Premium fitness presteert eveneens relatief sterk, met een mediane lidmaatschapsduur van ongeveer 15 maanden.

Dat kan samenhangen met de samenstelling van de doelgroep, de prijsstelling, de begeleiding en de verwachtingen waarmee mensen lid worden.

Zo wees Dr. Bedford erop dat mensen die bewust kiezen voor een duurder lidmaatschap mogelijk al een hogere betrokkenheid bij fitness hebben.

Het zou daarom te eenvoudig zijn om te concluderen dat een hogere abonnementsprijs automatisch voor betere retentie zorgt.

Ook moet rekening worden gehouden met verschillen in de omvang en samenstelling van de deelgroepen. De Europese premiumanalyse bevat bijvoorbeeld 8.579 ledenrecords, tegenover ruim 1,58 miljoen records in het Europese HVLP-segment.

Zelfstandige sportscholen en publieke voorzieningen presteren opvallend goed

Ook zelfstandige fitnessbedrijven en publieke sportvoorzieningen laten in de Europese analyse relatief gunstige retentiepatronen zien.

Voor publieke voorzieningen besprak Bedford een mediane lidmaatschapsduur van ongeveer 19 maanden.

Zelfstandige clubs behoorden eveneens tot de beter presterende groepen. De data verklaart niet volledig waarom deze verschillen ontstaan. Wel roept het interessante vragen op.

  • Speelt het persoonlijke contact een grotere rol? 
  • Sluit de dienstverlening beter aan bij de lokale gemeenschap? 
  • Of trekken bepaalde fitnessconcepten vooral doelgroepen aan die van nature langer lid blijven?

Dit zijn vragen waarop vervolgonderzoek meer inzicht kan bieden. Voor Nederlandse ondernemers is vooral relevant dat er niet één universele oplossing voor retentie bestaat.

Een zelfstandige fitnessclub met intensieve persoonlijke begeleiding heeft andere mogelijkheden dan een grote budgetketen met duizenden leden.

Een effectieve retentiestrategie moet daarom passen bij het bedrijfsmodel, de doelgroep en de beschikbare medewerkers.

Oudere fitnessleden blijven langer lid dan jongere generaties

Nog een interessant resultaat uit het onderzoek betreft de verschillen tussen leeftijdsgroepen. Dr. Bedford liet zien dat oudere leden in de onderzochte dataset over het algemeen langer lid blijven dan jongere leden.

Zo ligt de mediane lidmaatschapsduur bij babyboomers rond 24 maanden, terwijl deze bij millennials en generatie Z rond 12 maanden ligt.

Dat betekent niet dat alle oudere sporters trouwer zijn of dat jongere leden per definitie sneller afhaken. Wel laat de dataset een duidelijk verschil tussen generaties zien.

De oorzaken daarvan zijn niet rechtstreeks uit deze cijfers af te leiden. Mogelijk spelen verschillen in levensfase, beschikbaarheid, financiële situatie, motivatie en het belang dat mensen hechten aan een vaste routine een rol.

Voor fitnessondernemers is dit interessant bij het ontwikkelen van doelgroepgerichte begeleiding. Jonge leden die zoeken naar flexibiliteit en afwisseling hebben mogelijk andere verwachtingen dan oudere volwassenen die vooral willen werken aan kracht, mobiliteit en zelfstandigheid.

Maar kennen fitnessondernemers hun leden voldoende?

Een opvallende constatering uit het onderzoek is dat bij ongeveer 1,33 miljoen datapunten de leeftijd ontbrak.

Daarmee raakt de studie aan een ander belangrijk onderwerp: datakwaliteit. Fitnessorganisaties investeren steeds vaker in klantdata, CRM-systemen en gepersonaliseerde communicatie.

Maar effectieve personalisatie wordt lastig wanneer belangrijke basisinformatie ontbreekt.

Tegelijkertijd hoeft dat niet te betekenen dat sportscholen zoveel mogelijk persoonlijke gegevens moeten verzamelen. Juist relevant is om bewust te bepalen welke gegevens daadwerkelijk nodig zijn om betere begeleiding te bieden, en om daarbij zorgvuldig om te gaan met privacy.

De data laat in ieder geval zien dat de beschikbare informatie binnen een ledenadministratie niet vanzelfsprekend volledig of bruikbaar is.

De eerste 90 dagen zijn cruciaal, maar daarna verdwijnt het risico niet

Veel fitnessondernemers kennen het belang van de eerste maanden na inschrijving. Die periode bepaalt voor een belangrijk deel of iemand vertrouwd raakt met de fitnessomgeving en een regelmatige trainingsroutine ontwikkelt.

De resultaten van Dr. Bedford ondersteunen het belang van deze beginfase.

Maar hij wees ook op een tweede aandachtspunt: het opzeggingsrisico verdwijnt niet na de eerste 90 dagen.

Tijdens zijn presentatie liet hij grafieken zien met het maandelijkse risico dat leden hun abonnement beëindigen.

Daarin ontstond een duidelijke piek in de eerste maanden, gevolgd door een afnemend risico.

Vervolgens werd rond het eerste lidmaatschapsjaar opnieuw een stijging zichtbaar.

Bedford noemde verschillende mogelijke verklaringen.

Misschien loopt een contractperiode af. Misschien raken leden minder gemotiveerd. Of misschien evalueren zij na een jaar of de sportschool heeft gebracht wat zij ervan verwachtten.

Het onderzoek bewijst niet welke verklaring in alle gevallen doorslaggevend is.

Wel laat het zien dat ondernemers niet alleen aandacht moeten besteden aan de eerste weken, maar ook aan andere momenten in de klantreis.

Retentie vraagt om structurele aandacht

Een uitgebreide intake of een goed georganiseerd introductieprogramma is waardevol, maar vormt slechts het begin.

Ook bestaande leden hebben behoefte aan aandacht. Dat kan bijvoorbeeld door regelmatig de voortgang te bespreken, nieuwe doelen vast te stellen of te onderzoeken waarom iemand minder vaak komt.

Juist wanneer een lid al langere tijd aanwezig is, bestaat het risico dat persoonlijk contact vanzelfsprekend wordt gevonden.

Terwijl datzelfde lid misschien opnieuw behoefte heeft aan motivatie, een andere trainingsaanpak of een gesprek over veranderende omstandigheden.

Het onderzoek maakt daarmee duidelijk waarom retentie geen eenmalig onboardingproject zou moeten zijn. Het vraagt om een doorlopende aanpak.

De financiële waarde van ledenbehoud

ledenbehoud in de fitness

Naast de gevolgen voor sportdeelname heeft retentie vanzelfsprekend een grote zakelijke betekenis. Tijdens zijn presentatie liet Dr. Bedford zien hoe relatief kleine verschillen in lidmaatschapsduur kunnen doorwerken in de totale contributie-inkomsten.

Wanneer grote groepen leden gemiddeld langer blijven, kan dat een aanzienlijk verschil maken in de inkomsten van fitnessorganisaties.

Daar staat tegenover dat een strategie om leden langer betrokken te houden eveneens investeringen kan vragen.

Personeel moet tijd krijgen om contact te onderhouden. Digitale systemen moeten worden ingericht en medewerkers hebben soms aanvullende kennis nodig over gedragsverandering.

De zakelijke vraag is daarom niet alleen wat betere retentie kan opleveren, maar ook welke aanpak effectief en financieel haalbaar is.

Daarbij is het belangrijk om het resultaat te meten en niet automatisch aan te nemen dat iedere investering in ledenbehoud zichzelf terugverdient.

Leden behouden versus nieuwe leden werven

Ook het bredere economische klimaat maakt deze afweging relevant. Uit het Wellhub Fitness Business Growth Report 2026, gebaseerd op een enquête onder 662 fitnessondernemers in elf landen, blijkt dat 82% van de respondenten aangeeft dat de kosten voor het aantrekken van een nieuw lid in de afgelopen twaalf maanden zijn gestegen.

Samen laten de onderzoeken wel zien waarom ondernemers kritisch moeten kijken naar de balans tussen ledenwerving en ledenbehoud.

Een organisatie die voortdurend veel nieuwe leden aantrekt maar tegelijkertijd veel leden verliest, moet blijven investeren in het vervangen van die uitstroom.

Een organisatie die leden langer betrokken houdt, kan mogelijk meer ruimte creëren voor duurzame groei.

Daarbij gaat het niet om het volledig vervangen van ledenwerving door retentieactiviteiten. Beide blijven belangrijk, maar verdienen een samenhangende aanpak.

Van onderzoeksdata naar de praktijk: wat kunnen fitnessondernemers doen?

De grote vraag is wat de Nederlandse fitnessbranche met deze inzichten kan. De resultaten van Dr. Bedford vormen geen kant-en-klaar stappenplan dat gegarandeerd tot meer ledenbehoud leidt.

Wel bieden ze concrete aanknopingspunten om bestaande processen kritisch te beoordelen en gerichter te verbeteren.

1. Maak bezoekfrequentie een belangrijke indicator

Veel fitnessbedrijven volgen dagelijks het aantal nieuwe inschrijvingen, de omzet en het aantal opzeggingen.

Maar hoeveel inzicht is er in het daadwerkelijke bezoekgedrag van leden? Door bezoekfrequentie te volgen, kunnen fitnessondernemers eerder signaleren wanneer iemand minder actief wordt.

Interessant is vooral hoe het bezoekgedrag zich ontwikkelt vanaf het moment van inschrijving, en of die ontwikkeling verschilt per doelgroep, contractvorm of fitnessconcept.

Een lid dat minder vaak komt dan voorheen, hoeft niet automatisch te willen opzeggen. Maar een teruglopend bezoekpatroon kan wel aanleiding zijn om persoonlijk contact te zoeken.

2. Ontwikkel een onboarding gericht op gewoontevorming

Een nieuwe klant informeren over openingstijden, faciliteiten en huisregels is belangrijk, maar daarmee is nog geen sportroutine ontstaan.

Een effectieve onboarding helpt iemand ook om het gewenste gedrag daadwerkelijk vol te houden.

Dat kan bijvoorbeeld door samen een realistische trainingsfrequentie af te spreken, vaste sportmomenten te plannen en gedurende de eerste weken regelmatig contact te houden.

Een beginnende sporter die na twee weken onzeker is geworden, heeft mogelijk iets heel anders nodig dan een ervaren fitnesslid dat zelfstandig wil trainen.

Persoonlijke aandacht kan helpen om zulke verschillen tijdig te herkennen.

3. Kijk verder dan de eerste drie maanden

De onderzoeksresultaten maken duidelijk dat risicomomenten gedurende het hele lidmaatschap kunnen ontstaan. Het kan daarom waardevol zijn om vaste evaluatiemomenten in te bouwen.

Bijvoorbeeld na de eerste maand, na drie maanden, na een halfjaar en rond de eerste contractverlenging.

Niet als verplichte verkoopgesprekken, maar als momenten om te begrijpen hoe iemand het lidmaatschap ervaart en of de begeleiding nog aansluit bij de behoeften.

4. Stem de retentiestrategie af op het bedrijfsmodel

Niet elke fitnessondernemer beschikt over dezelfde middelen. Een grote keten met duizenden leden kan digitale oplossingen inzetten om bezoekgedrag te monitoren en op schaal relevante communicatie aan te bieden.

Een kleinschalige studio of zelfstandige sportschool kan juist profiteren van direct persoonlijk contact en de betrokkenheid van medewerkers.

Het ene model is niet automatisch beter dan het andere. Belangrijk is dat de gekozen aanpak past bij de organisatie en dat deze daadwerkelijk helpt om leden betrokken te houden.

5. Meet niet alleen de uitstroom, maar ook de ontwikkeling daarvóór

Opzeggingen vertellen wat er al gebeurd is. Bezoekfrequentie, klantfeedback en betrokkenheid kunnen helpen om eerder te begrijpen wat eraan voorafgaat.

Daarom kan het waardevol zijn om verschillende indicatoren naast elkaar te bekijken.

Denk aan het percentage nieuwe leden dat regelmatig komt trainen, de mediane lidmaatschapsduur per doelgroep en de momenten waarop bezoeken afnemen.

Voor grotere organisaties kunnen dashboards hierbij ondersteunen. Voor kleinere clubs kan een eenvoudig overzicht met een beperkt aantal relevante indicatoren al waardevol zijn.

Het belangrijkste is dat de gegevens worden gebruikt om betere beslissingen te nemen en dat mogelijke interventies vervolgens op hun effect worden beoordeeld.

Wat betekenen deze resultaten voor de Nederlandse fitnessbranche?

Het internationale retentieonderzoek biedt nieuwe inzichten in het gedrag van fitnessleden. Voor Nederlandse fitnessondernemers is vooral interessant dat de studie de aandacht verschuift van uitsluitend het aantal leden naar het daadwerkelijke gebruik van het lidmaatschap.

Dat sluit aan bij de bredere ontwikkeling van de fitnessbranche, waarin gezondheid, begeleiding, kwaliteit en duurzame sportdeelname steeds centraler komen te staan.

Wie langdurig in beweging blijft, heeft meer gelegenheid om te werken aan persoonlijke gezondheids- en beweegdoelen.

Daarom is ledenbehoud niet alleen relevant voor de bedrijfsvoering, maar ook voor de maatschappelijke bijdrage die fitnessbedrijven kunnen leveren.

Tegelijkertijd moeten de internationale resultaten zorgvuldig worden geïnterpreteerd.

De Europese cijfers zijn niet automatisch de Nederlandse gemiddelden. Contractvormen, bedrijfsmodellen, doelgroepen en lokale marktomstandigheden verschillen.

Het onderzoek biedt vooral een aanleiding om binnen de eigen organisatie gerichter naar bezoekgedrag en retentie te kijken.

Hoeveel leden trainen in de eerste twaalf weken regelmatig? Wat gebeurt er rond de eerste contractverlenging? Welke groepen blijven langer betrokken? En wat doen succesvolle clubs mogelijk anders?

Door deze vragen structureel te onderzoeken, kunnen fitnessondernemers hun dienstverlening verder ontwikkelen.

Conclusie: duurzame groei begint niet bij inschrijving, maar bij betrokkenheid

Het nieuwe internationale onderzoek van Dr. Paul Bedford laat zien hoe belangrijk bezoekgedrag is voor ledenbehoud.

Met meer dan 12,4 miljoen ledenrecords biedt het een uitzonderlijk grote basis om verschillen tussen doelgroepen, fitnessconcepten en lidmaatschapspatronen zichtbaar te maken.

De uitkomst dat ongeveer 63% van de onderzochte Europese leden tijdens de eerste twaalf weken in de hoogste risicocategorie valt, verdient daarbij bijzondere aandacht.

Niet omdat deze leden allemaal zullen opzeggen, maar omdat er een grote groep is voor wie de overgang van inschrijving naar regelmatig sporten nog onvoldoende vanzelfsprekend lijkt.

Voor de fitnessbranche ligt hier een belangrijke kans.

Door leden beter te begrijpen, passende begeleiding te bieden en eerder te reageren op veranderingen in bezoekgedrag, kunnen organisaties werken aan langduriger betrokkenheid.

Dat vraagt om een combinatie van goede data, professionele begeleiding, persoonlijke aandacht en een aanpak die aansluit bij de doelgroep.

De belangrijkste les uit het onderzoek is daarmee niet dat fitnessondernemers simpelweg méér moeten verkopen of méér faciliteiten moeten aanbieden.

De uitdaging is om mensen niet alleen te overtuigen om te beginnen met fitness, maar hen ook te helpen om te blijven bewegen.

En juist daarin komen de commerciële én maatschappelijke waarde van ledenbehoud samen.

Over het onderzoek

Dit artikel is gebaseerd op de presentatie The Retention Blueprint: Inside the Industry’s Largest Retention Study van Dr. Paul Bedford tijdens het HFA European Congress 2026 in Londen, aangevuld met de originele presentatieslides en voorlopige onderzoeksgegevens.

Het HFA Global Retention Benchmark Report wordt ontwikkeld door de Health & Fitness Association in samenwerking met Dr. Paul Bedford en internationale datapartners. De volledige onderzoeksrapportage werd tijdens het congres aangekondigd voor het najaar van 2026.

De congrescijfers hebben een voorlopig karakter. Waar mogelijk zijn de genoemde resultaten gecontroleerd aan de hand van de oorspronkelijke presentatieslides. De verschillen tussen groepen zijn beschrijvende onderzoeksresultaten en vormen niet automatisch bewijs voor een oorzakelijk verband.

Aanvullende bronnen:

Artikel door Melanie Verbueken, namens NL Actief.